Indeling aanvallen

Er bestaan verschillende soorten aanvallen bij epilepsie. Neurologen hebben deze soorten ingedeeld in groepen. Dat noemen ze de aanvalsclassificatie. De naam van een groep zegt iets over waar de aanval start, hoe deze eruit ziet en of je bij bewustzijn blijft.

Kenmerken van een aanval

Om je aanval in te delen, zijn drie basisvragen belangrijk:

  • Waar begint de aanval? In een deel of overal in je hersenen?
  • Ben je tijdens een aanval bij bewustzijn, of niet?
  • Hoe ziet je aanval eruit? Beweeg of praat je? Wat ervaar je?

Door de antwoorden weet een neuroloog aan welke vorm van epilepsie hij of zij moet denken. Dat helpt ook bij het kiezen van de beste behandeling.

 
Waar begint de aanval?

Een aanval kan op één plek in je hersenen starten of in heel je hoofd.

  • Focale aanvallen: deze starten op één plek in je hersenen. Bij deze aanvallen kun je wel of niet bij bewustzijn zijn.
  • Generaliseerde aanvallen: Deze starten in beide hersenhelften tegelijk. Dat gebeurt vaak plotseling zonder waarschuwing. Bij deze aanvallen ben je meestal niet bij bewustzijn.

Soms kan een arts niet ontdekken waar de aanval begint. Dat heet ‘een aanval met een onbekend begin’. Ook is het mogelijk dat een plaatselijke aanval uitbreidt naar beide hersenhelften: van focaal naar gegeneraliseerd.

 
Wel of niet bij bewustzijn?

Je kunt tijdens een aanval bij bewustzijn zijn. Of je bewustzijn is verminderd of weg. Dit noemen artsen ‘gewaarwording’. Er zijn twee groepen:

  • Intacte gewaarwording: dan blijf je bij bewustzijn en kun je contact maken met je omgeving.
  • Verminderde gewaarwording: dan is je bewustzijn weg of verminderd. De omgeving kan geen contact met je maken.
 
Gedrag of bewegingen tijdens de aanval?

Hoe de aanval eruitziet, hangt af van de plek in de hersenen waar de verstoring zit. Elk deel van de hersenen stuurt iets anders aan, zoals bewegen, praten of emoties. Bij deze indeling wordt verschil gemaakt tussen:

Motorische symptomen, zoals:

  • Herhaalde schokkende bewegingen.
  • Verstijven of slap worden van spieren.
  • Kauwen of smakken met je lippen.
  • Steeds dingen oppakken.
  • Wrijven of trekken aan je kleding.
  • Een luide schreeuw slaken of geluid maken.

Niet-motorisch symptomen, zoals:

  • Een opstijgend gevoel vanuit de maag.
  • Een déjà vu, het gevoel dat je iets al eerder hebt meegemaakt.
  • Iets ongebruikelijks ruiken of proeven.
  • Een intens gevoel van angst of vreugde.
  • Een vreemd gevoel, zoals een ‘golf’ die door je hoofd gaat.
  • Iets vreemds zien, zoals knipperende lichten of iets dat er niet is.
  • Doof of juist tintelend gevoel.

 

Lees meer over de verschillende soorten aanvallen.