Wat is eraan te doen?
Medicijnen
Als het (na onderzoek) eenmaal zeker is dat iemand epilepsie heeft, krijgt hij meestal medicijnen voorgeschreven, de zogenaamde anti-epileptica. Die medicijnen moeten iedere dag ingenomen worden. De medicijnen kunnen de epilepsie niet genezen. Maar ze kunnen wel helpen om ervoor te zorgen dat iemand veel minder of helemaal geen aanvallen meer krijgt.
Sommige mensen merken dat de kans op een aanval groter is als ze iets heel spannends gaan doen. Of als ze te kort hebben geslapen. Of als ze in bepaald licht kijken. Als iemand dat van zichzelf weet, dan probeert hij zoiets natuurlijk te vermijden. Maar verreweg de meeste mensen moeten toch echt pillen slikken. Sommige mensen zelfs hun hele leven lang.

Het duurt soms een hele tijd voor een arts heeft ontdekt welk medicijn het beste voor iemand werkt. Want de medicijnen helpen dan wel om de aanvallen tegen te houden, maar ze maken soms ook dat iemand last krijgt van vervelende bijwerkingen, zoals jeuk, slaperigheid of misselijkheid. Er bestaan zulke ingewikkelde vormen van epilepsie dat sommige mensen een tijdje in het ziekenhuis opgenomen moeten worden, zodat de artsen kunnen uitvinden welk medicijn het beste werkt.
Andere manieren
Ongeveer 7 van de 10 kinderen met epilepsie krijgen door de medicijnen geen aanvallen meer. Als medicijnen niet helpen, dus bij 3 van de 10 kinderen met epilepsie, dan is er nog een paar andere dingen die de arts kan proberen, zoals een operatie, het plaatsen van een Nervus Vagus Stimulator en het volgen van een speciaal dieet (ketogeen dieet).



