Volg ons op LinkedIn
Volg ons op Youtube
Volg ons op Facebook
Volg ons op Twitter
Epilepsie
Naar www.epilepsiefonds.nl
Print

Hoe zien de hersenen eruit?

De hersenen bestaan uit een aantal onderdelen. Het meest opvallend zijn de 'grote' hersenen: deze bestaan uit twee helften of hemisferen, elk opgebouwd uit een aantal kwabben. Onder de grote hersenen zitten de 'kleine' hersenen, ook bestaande uit twee helften. Tussen de grote en de kleine hersenen zit de hersenstam, die de verschillende hersendelen verbindt en in verbinding staat met het ruggenmerg.
 
  
1. Voorhoofdskwab (frontaal) 1. Hersenschors (cortex) of grijze stof
2. Wandbeenkwab (pariëtaal) 2. Balk
3. Achterhoofdskwab (occipitaal) 3. Hersenstam
4. Slaapkwab (temporaal) 4. Hersenkamer
5. Kleine hersenen 5. Witte stof
6. Verlengde merg  
7. Hersenstam  
8. Ruggenmerg  
 
Op de doorsnede van de hersenen ziet u duidelijk twee lagen. De buitenkant van zowel de grote als de kleine hersenen bestaat uit 'grijze' stof, de hersenschors. In deze grijze stof zitten miljarden hersencellen. Eronder zit de witte stof, die vooral bestaat uit verbindingsvezels met 'isolatiemateriaal'. Dit isolatiemateriaal bestaat uit cellen die veel vettige stoffen bevatten en er daardoor wit uitzien. Er lopen verbindingsvezels door de hersenen naar het ruggenmerg om opdrachten naar de rest van het lichaam te zenden en om informatie te ontvangen. Een belangrijk deel van de informatie van buitenaf komt door de zintuigen via de hersenzenuwen de hersenen binnen.Tot de hersenzenuwen behoren onder andere de reukzenuw, de oogzenuw en de gehoorzenuw. Via het ruggenmerg komt de informatie binnen vanuit de rest van het lichaam.
 
Hoe werken de hersenen?
De hersenen bestaan uit een netwerk van verbindingen tussen miljarden hersencellen. Hersencellen (neuronen) hebben één lange uitloper (axon) en vele korte uitlopers (dendrieten). De plaats waar een uitloper van de ene zenuwcel de andere bijna raakt, wordt synaps genoemd. Iedere zenuwcel met haar uitlopers is bezaaid met synapsen.
 
Schematische voorstelling van de prikkeloverdracht tussen hersencellen (neuronen) via de synaps
 
 
1. Synaps 6. Blaasjes gevuld met neurotransmitterstof 
2. Dendrieten (korte uitlopers van de hersencel) 7. Eindplaat
3. Celkern 8. Synapsspleet
4. Axon (hoofduitloper van de hersencel) 9. Hersencel die de prikkel ontvangt
5. Richting van de prikkel  
 
Het overbrengen van informatie van de ene zenuw op de andere gebeurt door afgifte van chemische boodschappers (neurotransmitters) in de synaps. In het ene zenuwuiteinde bevinden zich kleine blaasjes, met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitters. Er zijn prikkelende en remmende neurotransmitters. Wanneer een zenuwimpuls door de zenuwen loopt en het uiteinde bereikt, springen die blaasjes open en komen de neurotransmitters via de wand van het zenuwuiteinde in de synaptische spleet terecht. Op het oppervlak van de andere zenuw bevinden zich de zogeheten receptoren (ontvangers).
 
Wanneer een zenuwcel veel prikkelende signalen en weinig remmende signalen ontvangt, komt er een moment dat zij gaat 'ontladen'. De elektrische spanning van het celoppervlak verandert dan van negatief naar positief. Deze verandering verspreidt zich snel over de zenuwcel en al haar uitlopers en herstelt zich ook weer snel. Aan de uiteinden van de uitlopers van de zenuwcel worden door de elektrische ontlading in de synapsspleten neurotransmitters uitgestoten. Voor iedere zenuwcel is dat één soort neurotransmitter (of prikkelend of remmend). Er zijn dus zenuwcellen die andere zenuwcellen stimuleren, maar ook zijn er zenuwcellen die andere cellen juist remmen om te gaan ontladen.
 
Het gaat dus om een ingewikkeld evenwicht tussen de prikkelende en remmende invloeden waaraan iedere zenuwcel blootstaat. Verstoring van dit evenwicht kan leiden tot een epileptische aanval.
 
Enkele belangrijke stimulerende neurotransmitters zijn:
noradrenaline
dopamine
 
Enkele belangrijke remmende neurotransmitters zijn:
serotonine
gamma-aminoboterzuur (gaba)
 
Veel geneesmiddelen tegen epilepsie grijpen in op de neurotransmitters. Het zijn stoffen die er erg veel op lijken, een soortgelijke werking hebben, of de productie of afbraak ervan beïnvloeden. Er zijn ook anti-epileptica die niet werken via de neurotransmitters, maar langs andere weg invloed uitoefenen op de celmembraan van de zenuwcel.