Onderzoeken
Voor het stellen van de diagnose is allereerst een goede beschrijving van de aanval nodig. Het verhaal van de mensen zelf is meestal onvoldoende, omdat mensen zelf tijdens de aanval vaak een bewustzijnsstoornis hebben of omdat anderen hun de exacte toedracht niet vertellen. Het verhaal van toeschouwers zelf is veel betrouwbaarder. Soms kan een video-opname uitkomst bieden.
Vervolgens zullen er, om na te gaan of er sprake is van epilepsie, onderzoeken worden gedaan in het ziekenhuis. Het belangrijkste daarvan is het EEG-onderzoek. Toch is in een aantal gevallen niets afwijkends op het EEG te zien. Dat komt omdat een EEG een momentopname is en er tijdens de meting van de hersenactiviteit vaak helemaal geen epileptische activiteit is.
Voor het vaststellen van de oorzaak van de epilepsie wordt veelal aanvullend onderzoek gedaan. Soms is daar, door het soort aanval en het EEG, al een antwoord op te geven. Maar voor een meer precieze lokalisatie van de epilepsie is beeldvormend onderzoek in de meeste gevallen noodzakelijk. De twee belangrijkste zijn de CT-scan en de MRI-scan.
Zonodig worden ook nog andere onderzoeken gedaan: bijvoorbeeld cardiologisch onderzoek, bloedonderzoek of neuropsychologisch onderzoek.
Als onderzoeken niets opleveren, kan (soms) de diagnose worden vastgesteld op grond van een aantal factoren zoals ziektegeschiedenis en aanvalsbeschrijving.








